In deze laatste bijdrage aangaande het boek “the plant-based con” van Jayne Buxton kies ik er voor om nog een aantal aspecten te belichten. Zoals voor al mijn bijdragen omtrent dit onderwerp vindt u in haar boek alle verwijzingen naar onderzoek. In de serie artikelen betrof het vooral een persoonlijke zoektocht en besloot ik tijdens het lezen een aantal onderwerpen publiekelijk te belichten. Voor mij heeft het antwoorden gebracht over aanpassing in mijn eigen leefstijl, en dat is precies wat het boek beoogt.
De EAT-Lancet Foundation is een invloedrijk vehikel dat het voornamelijk plantaardig dieet verspreidt en promoot. Aan dit initiatief zijn veel andere organisaties verbonden zoals Fresh (Food Reform for sustainability and Health) en o.a. de WBCSD (World Business Council for Sustainable Development) met promotor Maurice Strong, en het is zinvol te melden dat de EAT foundation sterk gesteund wordt door de Strawberry Foundation (ideologisch voorstander van veganistisch dieet) en de Welcome Trust, opgericht door Henry Welcome, jawel een 7e dag adventist. De EAT lancet Foundation promoot een dieet dat voornamelijk plantaardig is. De onderbouwing van dat dieet is flinterdun omdat het gebaseerd is op epidemiologisch onderzoek dat slechts mogelijke relaties tussen diverse factoren kan tonen maar inherent onbetrouwbaar is en vervolgonderzoek vergt om echte ‘harde’ feiten boven tafel te krijgen.
Een van de leden die bij Fresh is aangesloten is YARA, een Noors bedrijf, dat kunstmest maakt. Zoals je misschien weet is kunstmest een energie-slurper, in Nederland gebruikt het bedrijf 7% van de totale hoeveelheid gas, en wordt het ingezet op plekken waar geen circulaire veeteelt plaats vindt waarin de mest de grond vruchtbaar houdt en tot gevarieerde plantengroei kan leiden die meer CO2 per jaar opslaat dan mening aangeplant bos. Voor de landbouw is het een ‘must’ om jaar in jaar uit, zonder rotatie van gewassen, te kunnen verbouwen en bovendien is dierlijke mest ongeschikt om over deze gewassen te sproeien. Je ziet dat het belang van YARA ligt in het aanhaken bij de drang om plantaardig eten over te gaan.
Naar schatting is 77% van al het agrarische land in gebruik voor veeteelt. Het is te simpel, en dat gebeurt in het kamp van de tegenstanders, om te schermen met het feit dat dit slechts 18% van alle calorieën produceert. Dat is een ongekend cijfer. Maar wie iets verder kijkt ziet dat het verhaal veel genuanceerder is. De kwaliteit van de proteïnen die geproduceerd wordt in de veeteelt is hoogwaardiger. De FAO schat dat 37% de wereldwijde proteïnen uit deze veeteelt komt. Maar het verhaal is nog gecompliceerder. Op veel land dat nu in gebruik is voor vee is het onmogelijk om plantaardige gewassen te telen. Dat percentage varieert per land, de globale cijfers zijn misleidend, en in het boek wordt gesteld dat 2/3e van het land in het V.K. dat nu begrazen wordt niet bebouwd kan worden met plantaardige gewassen. Wie dat onder ogen ziet begrijpt dat afhankelijk van het land de proteïnen geïmporteerd moeten worden waar ze nu wellicht lokaal geproduceerd kunnen worden. Maar een extra complicatie is dat waar en welke granen granen verbouwd worden kritische aminozuren lysine (bij veel graansoorten) of zwavelhoudende aminozuren (in erwten) onder de maat zijn. Het is voorstelbaar dat dit leidt tot producten waar het kunstmatig aan toegevoegd wordt.
Het waterverbruik per kilo geproduceerd vlees zou rond de 15.000 liter liggen. Er is veel discussie over en de bandbreedte van 1500 tot 110.000 liter in diverse studies geeft aan dat op dat punt “de wetenschap’ er volstrekt niet uit is. Een interessante nuance komt in het boek van Buxton naar voren. Veel water , op de gebieden waar door steile hellingen, teveel wind, schrale grond, vee gehouden wordt is het water niet concurrerend met dat wat de mens zou kunnen gebruiken. Het zou ‘groen’ water genoemd kunnen worden i.t.t. blauw (drinkwater). Die nuance maakt een ‘juiste’ inschatting van de belastende invloed van veeteelt weer moeilijker. En opnieuw komt hier de hoeveelheid water in relatie tot de hoeveelheid (en kwaliteit) van de proteïnen om de hoek kijken. Die vergelijking lijkt tot een vrijwel gelijke uitslag te leiden.
Op gezond land vangen de planten c.q. grassen CO2 en zetten dat om in suikers. Maar een deel van de koolstof wordt in vloeibare vorm via de wortels afgegeven aan de onderliggende aarde en daarin opgeslagen. De opslagcapaciteit van CO2 (carbon sequestration genoemd) door begraasde weides is enorm. Ook het IPCC rapport erkent die opslagcapaciteit en benoemt dat deze capaciteit van grasland groter kan zijn dan van veel bossen. De initiatieven die ons verleiden bomen te laten planten zijn echt niet zo effectief als we denken en zijn vaak gestoeld op het planten van niet inheemse bomen.
Het boek van Buxton eindigt met een hoofdstuk waarin ze probeert tot een vorm van ‘bevrijding” (mijn woordkeuze) te komen. Door alle, en veelal misleidende, informatie weten we als mens niet meer waar we aan toe zijn. Ze komt uiteindelijk uit op een aantal aanbevelingen en een waarschuwing. Ze wijst op de eenzijdige dwanggedachte dat planten goed zijn voor de mens. De plant-based voorstanders gaan feitelijk uit van een gezonde mens die wellicht (mijn woordkeuze n.a.v. lezing van het boek) met een plant-based dieet lange tijd uit de voeten zou kunnen. Voor alle mensen die om welke reden dan ook uit balans zijn, en dat zijn er steeds meer in een ouder wordende populatie, zal je je moeten verlaten op heel andere adviezen. Zij pleit er voor, en dat is voor velen van ons vaag, om op de eigen intuïtie te varen. Toch biedt ze ook handvatten. Het vermijden van bewerkt voedsel is een advies, het eten van zo veel mogelijk lokale producten die op een duurzame manier geproduceerd zijn, en blijven monitoren wat de effecten van de inname zijn op je eigen leven.